EUROPEES VERDRAG TOT BESCHERMING VAN DE RECHTEN VAN DE MENS EN DE FUNDAMENTELE VRIJHEDEN
Verdrag van 4 november 1950, Trb. 1951, 154 (Rectificatie Trb. 1961, 8 en 1979, 150), laatstelijk gewijzigd 11 mei 1994, Trb. 1994, 165
TITEL I
Rechten en vrijheden
Recht op leven Art. 2
- 1. Het recht van een ieder op leven wordt beschermd door de wet.
Niemand mag opzettelijk van het leven worden beroofd, behoudens door de tenuitvoerlegging
van een gerechtelijk vonnis wegens een misdrijf waarvoor de wet in de doodstraf voorziet.
- 2. De beroving van het leven wordt niet geacht in strijd met dit artikel te zijn
geschied ingeval zij het gevolg is van het gebruik van geweld, dat absoluut noodzakelijk
is:
a. ter verdediging van wie dan ook tegen onrechtmatig geweld;
b. teneinde een rechtmatige arrestatie te bewerkstelligen of het ontsnappen van iemand die
op rechtmatige wijze is gedetineerd, te voorkomen;
c. teneinde in overeenstemming met de wet een oproer of opstand te onderdrukken.
Verbod van foltering Art. 3
Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.
Verbod van slavernij en dwangarbeid Art. 4
- 1. Niemand mag in slavernij of dienstbaarheid worden gehouden.
- 2. Niemand mag gedwongen worden dwangarbeid of verplichte arbeid te verrichten.
- 3. Niet als 'dwangarbeid of verplichte arbeid' in de zin van dit artikel worden
beschouwd:
a. elk werk dat gewoonlijk wordt vereist van iemand die is gedetineerd overeenkomstig de
bepalingen van artikel 5 van dit Verdrag, of gedurende zijn voorwaardelijke
invrijheidstelling;
b. elke dienst van militaire aard of, in het geval van gewetensbezwaarden in landen waarin
hun gewetensbezwaren worden erkend, diensten die gevorderd worden in plaats van de
verplichte militaire dienst;
c. elke dienst die wordt gevorderd in het geval van een noodtoestand of ramp die het leven
of het welzijn van de gemeenschap bedreigt;
d. elk werk of elke dienst die deel uitmaakt van normale burgerplichten.
Recht op vrijheid en veiligheid Art. 5
- 1. Een ieder heeft recht op vrijheid en veiligheid van zijn
persoon. Niemand mag zijn vrijheid worden ontnomen, behalve in de navolgende gevallen en
overeenkomstig een wettelijk voorgeschreven procedure:
a. indien hij op rechtmatige wijze is gedetineerd na veroordeling door een daartoe
bevoegde rechter;
b. indien hij op rechtmatige wijze is gearresteerd of gedetineerd, wegens het niet naleven
van een overeenkomstig de wet door een gerecht gegeven bevel of teneinde de nakoming van
een door de wet voorgeschreven verplichting te verzekeren;
c. indien hij op rechtmatige wijze is gearresteerd of gedetineerd teneinde voor de
bevoegde rechterlijke instantie te worden geleid, wanneer er een redelijke verdenking
bestaat, dat hij een strafbaar feit heeft begaan of indien het redelijkerwijs noodzakelijk
is hem te beletten een strafbaar feit te begaan of te ontvluchten nadat hij dit heeft
begaan;
d. in het geval van rechtmatige detentie van een minderjarige met het doel toe te zien op
zijn opvoeding of in het geval van zijn rechtmatige detentie, teneinde hem voor de
bevoegde instantie te geleiden;
e. in het geval van rechtmatige detentie van personen ter voorkoming van de verspreiding
van besmettelijke ziekten, van geesteszieken, van verslaafden aan alcohol of verdovende
middelen of van landlopers;
f. in het geval van rechtmatige arrestatie of detentie van een persoon teneinde hem te
beletten op onrechtmatige wijze het land binnen te komen, of van een persoon waartegen een
uitwijzings- of uitleveringsprocedure hangende is.
- 2. Een ieder die gearresteerd is moet onverwijld en in een taal die hij verstaat op de
hoogte worden gebracht van de redenen van zijn arrestatie en van alle beschuldigingen die
tegen hem zijn ingebracht.
- 3. Een ieder die is gearresteerd of gedetineerd, overeenkomstig lid 1.c van dit artikel,
moet onverwijld voor een rechter worden geleid of voor een andere magistraat die door de
wet bevoegd verklaard is rechterlijke macht uit te oefenen en heeft het recht binnen een
redelijke termijn berecht te worden of hangende het proces in vrijheid te worden gesteld.
De invrijheidstelling kan afhankelijk worden gesteld van een waarborg voor de verschijning
van de betrokkene ter terechtzitting.
- 4. Een ieder, wie door arrestatie of detentie zijn vrijheid is ontnomen, heeft het recht
voorziening te vragen bij het gerecht opdat deze spoedig beslist over de rechtmatigheid
van zijn detentie en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de detentie onrechtmatig is.
- 5. Een ieder die het slachtoffer is geweest van een arrestatie of een detentie in strijd
met de bepalingen van dit artikel, heeft recht op schadeloosstelling.
Recht op een eerlijk proces Art. 6
- 1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en
verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde
vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak,
binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet
is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de
rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele
terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde
of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van
minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in
die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt
geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou
schaden.
- 2. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden
totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.
- 3. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende
rechten:
a. onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden, op de hoogte te worden
gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging;
b. te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van
zijn verdediging;
c. zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen
keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen,
kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van
een behoorlijke rechtspleging dit eisen;
d. de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en de
ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als
het geval is met de getuigen à charge;
e. zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal die ter
terechtzitting wordt gebezigd niet verstaat of niet spreekt.
Geen straf zonder wet Art. 7
- 1. Niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten,
dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het
handelen of nalaten geschiedde. Evenmin mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die,
die ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was.
- 2. Dit artikel staat niet in de weg aan de berechting en bestraffing van iemand, die
schuldig is aan een handelen of nalaten, dat ten tijde van het handelen of nalaten, een
misdrijf was overeenkomstig de algemene rechtsbeginselen die door de beschaafde volken
worden erkend.
Recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven Art. 8
- 1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn
familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
- 2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht,
dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is
in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch
welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de
bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en
vrijheden van anderen.
Vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst Art. 9
- 1. Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en
godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te
veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar
als privé zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uitdrukking te brengen in
erediensten, in onderricht, in praktische toepassing ervan en in het onderhouden van
geboden en voorschriften.
- 2. De vrijheid zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uiting te brengen kan aan
geen andere beperkingen worden onderworpen dan die die bij de wet zijn voorzien en in een
democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de openbare veiligheid, voor
de bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van
de rechten en vrijheden van anderen.
Vrijheid van meningsuiting Art. 10
- 1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht
omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te
ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen.
Dit artikel belet Staten niet radio-omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te
onderwerpen aan een systeem van vergunningen.
- 2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich
brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of
sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving
noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of
openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de
bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de
rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om
het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.
Vrijheid van vergadering en vereniging Art. 11
- 1. Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en
op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te
richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.
- 2. De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen worden onderworpen
dan die, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk
zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van
wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede
zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel verbiedt niet
dat rechtmatige beperkingen worden gesteld aan de uitoefening van deze rechten door leden
van de krijgsmacht, van de politie of van het ambtelijk apparaat van de Staat.
Recht te huwen Art. 12
Mannen en vrouwen van huwbare leeftijd hebben het recht te huwen en een gezin te stichten volgens de nationale wetten die de uitoefening van dit recht beheersen.
Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel Art. 13
Een ieder wiens rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, heeft recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie, ook indien deze schending is begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie.
Verbod van discriminatie Art. 14
Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.
Afwijking in geval van noodtoestand Art. 15
- 1. In tijd van oorlog of in geval van enig andere algemene
noodtoestand die het bestaan van het land bedreigt, kan iedere Hoge Verdragsluitende
Partij maatregelen nemen die afwijken van zijn verplichtingen ingevolge dit Verdrag, voor
zover de ernst van de situatie deze maatregelen strikt vereist en op voorwaarde dat deze
niet in strijd zijn met andere verplichtingen die voortvloeien uit het internationale
recht.
- 2. De voorgaande bepaling staat geen enkele afwijking toe van artikel 2 , behalve
ingeval van dood als gevolg van rechtmatige oorlogshandelingen, en van de artikelen 3 , 4,
eerste lid , en 7 .
- 3. Elke Hoge Verdragsluitende Partij die gebruik maakt van dit recht om af te wijken,
moet de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa volledig op de hoogte houden van de
genomen maatregelen en van de beweegredenen daarvoor. Zij moet de Secretaris-Generaal van
de Raad van Europa eveneens in kennis stellen van de datum waarop deze maatregelen hebben
opgehouden van kracht te zijn en de bepalingen van het Verdrag opnieuw volledig worden
toegepast.
Beperkingen op politieke activiteiten van vreemdelingen Art. 16
Geen der bepalingen van de artikelen 10 , 11 en 14 mag beschouwd worden als een beletsel voor de Hoge Verdragsluitende Partijen beperkingen op te leggen aan politieke activiteiten van vreemdelingen.
Verbod van misbruik van recht Art. 17
Geen der bepalingen van dit Verdrag mag worden uitgelegd als zou zij voor een Staat, een groep of een persoon een recht inhouden enige activiteit aan de dag te leggen of enige daad te verrichten met als doel de rechten of vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld teniet te doen of deze verdergaand te beperken dan bij dit Verdrag is voorzien.
Inperking van de toepassing van beperkingen op rechten Art. 18 .
De beperkingen die volgens dit Verdrag op de omschreven rechten en vrijheden zijn toegestaan, mogen slechts worden toegepast ten behoeve van het doel waarvoor zij zijn gegeven.