OUDERVERVREEMDING OUDERVERSTOTING

Herkenning ? de belangen van het kind  Checklist houding & gedrag

home/terug

Door: E.C. van der Waal, 's-Hertogenbosch, december 2002

Onrechtmatige 'Kindergijzeling' en 'Ouderverstoting' met steun van Justitie


De situatie
Moeder en vader zijn niet getrouwd geweest, woonden en wonen niet bij elkaar. Moeder woont in Nijmegen, vader in Den Bosch. Zij hebben na een korte LAT relatie een dochter gekregen, van inmiddels 8 jaar, die bij moeder woont. Moeder schrijft vader in januari 2001 een brief waarin ze aangeeft gefrustreerd te zijn omdat ze niet het werk kan doen wat ze graag wil en ze is jaloers op de vader om zijn grotere vrijheid (dochter woont bij moeder). Ze vraagt om veel meer geld, en doet hierbij ook een frauduleus voorstel. Vader gaat hier - gezien de matige sfeer op dat moment- niet op in en laat dit weten in een antwoordbrief. Moeder kapt zonder een woord met vader over haar zorgen te spreken, enkele weken later plotsklaps, na 5,5 jaar (het hele leven van het kind) de prima omgang tussen vader en dochter, op 9 maart 2001 de mondeling afgesproken omgang (elke 14 dagen een weekend, vakantie- en feestdagen en regelmatig telefonisch contact) en álle contact tussen vader en dochter en vaders familie en kennissen (inclusief oma en opa). Bijna een week later hoort vader pas van moeder wat er volgens haar aan de hand is. Bij een door moeder uitgezochte therapeute wordt tegen vader gezegd dat het geen beschuldiging betreft, maar dat er een aantal zaken zijn waarom moeder de omgang heeft gekapt. Moeder laat ook tekeningetjes zien die door de dochter zijn gemaakt van moeder en vader, volgens moeder is het streepje naar beneden bij de tekening van vader duidelijk een erectie. Vader staat perplex en geeft aan dat haar suggestie van misbruik absoluut onwaar is, dat hij gruwelt van het idee alleen al. In hetzelfde gesprek zegt moeder het niet meer veilig te vinden dat haar dochter met vader omgang heeft. Moeder zegt tegen haar dochter dat ze voorlopig niet meer naar papa gaat omdat daar (in moeders fantasie) 'mogelijk dingen gebeuren die niet fijn zijn'. Een aantal vruchteloze gesprekken volgen, waarbij vader moeder niet kan overtuigen van de onjuistheid van haar ideeën. Moeder wilde ook op geen enkele manier meewerken aan door vader voorgesteld onafhankelijk onderzoek van de beschuldigende ideeën van moeder bij een kinderpsycholoog.
Moeder beweerde tijdens één van deze gesprekken zelfs dat een toevallige 5 minuten durende plezierig verlopende ontmoeting in april 2001 van vader met dochter in een drukke winkelstraat in de stad, waar moeder bij stond, geleid had tot klachten van pijn en rode schaamlipjes bij de dochter 's-avonds.
Moeder stopt de gesprekken. Vader doet begin mei 2001 melding van de ernstige situatie bij de politie in Den Bosch, omdat er geen enkele medewerking van moeder wordt verkregen in de hervatting van de omgang.
Moeder doet in juni 2001 aangifte van door haar vermeend sexueel misbruik door vader van haar dochter. Ze doet dit op basis van een (onjuiste) interpretatie van een tekening van de dochter en enkele suggestieve veronderstellingen en fantasieën van moeder en de lerares op de basisschool. Justitie onderzoekt de aangifte middels een studio-onderzoek van dochter, gesprek met de lerares op school en uitgebreid verhoor van vader. Een tussentijds door vader aangespannen kort geding om de omgang weer tot stand te brengen leidt helaas niet tot een uitspraak tot hervatting van de omgang omdat tijdens de zitting bleek dat het justitieel onderzoek nog niet was afgerond. Enkele weken later was dit pas het geval. De Officier van Justitie seponeert na het onderzoek de aangifte bij gebrek aan authentieke informatie.
Inmiddels is de omgang en álle contact 6 maanden door moeder onthouden aan dochter en vader. Ook elk contact met de oma en opa (vaders kant) worden het kind door de moeder nog steeds onthouden (de grootouders zagen hun kleinkind slechts via de vader). De ouders van moeders kant zijn inmiddels overleden. Moeder verloor op jonge leeftijd (10) haar moeder en haar vader overleed toen haar dochter enkele jaren oud was.
Moeder negeert het resultaat van het justitieel onderzoek en het sepot en blijft bij haar waanidee van misbruik en hervat de omgang niet. Ook na herhaalde verzoeken van vaders zijde.
Veel van het ouderverstotingsgedrag van moeder en de overgenomen angst bij de dochter komt overeen met hetgeen o.a. kinderpsychiater R. Gardner hierover beschrijft (zie www.rgardner.com).
Medio oktober 2001 vindt op initiatief van vader een 4 uur durend bemiddelingsgesprek plaats bij prof. H. Tijdens het bemiddelingsgesprek bevestigd moeder o.a. de vraag van prof. H. of zij vader uit haar leven en ook als vader van haar dochter 'weg wil poetsen'. Een afspraak met een gespecialiseerd psychologe mevr. A. H. wordt gemaakt voor begeleiding van de hervatting van de omgang.
Moeder schrijft een dag later prof. H. in een E-mail dat zij hem niet meer wil zien; noemt hem later, in het voorjaar 2002 in een gesprek bij de RvdK in aanwezigheid van de raadonderzoekers, oud en dement (!).
Medio november 2001 (inmiddels 8 maanden later) is er een rechtszitting over de omgang. Ook de RvdK is aanwezig, teamleider mevr.W. zegt uitdrukkelijk tegen moeder dat de omgang, na 8 maanden, spoedig hervat moet worden. Moeder verwerpt ter zitting de gemaakte afspraak met psychologe A.H. De rechter herstelt de omgangsregeling die bestond niet en legt, tot grote teleurstelling van vader, niet direct de door vader gevraagde omgangsregeling op maar houdt de zaak aan. Wel wordt ter zitting afgesproken dat partijen in onderling overleg, onder begeleiding van een (ditmaal andere, door moeder voorgestelde) psychologe mevr. H., aan de hervatting van de omgang gaan werken. Ook wordt ter zitting afgesproken dat partijen zich niet aan dit herstelproces mogen onttrekken.
Moeder onttrekt zich echter aan alle afspraken over vervolgafspraken bij de psychologe H., zegt deze afspraken op eigen houtje af en schakelt, naar later bleek, zonder enig overleg en kennisgeving weer een andere kinderpsychologe mevr. O. in.

De rechter wordt door de vader gevraagd om een beschikking. Die komt, 6 weken later, begin februari 2002.

De uitspraak behelsde het volgende: De rechter oordeelt dat het een spoedeisende zaak betreft, legt 3 proefcontacten van 4 uur op en indien partijen er niet onderling uitkomen ook een voorlopige omgang van 3 keer 4 uur, en wil daarnaast met spoed een advies van de Raad voor de Kinderbescherming.
Moeder accepteert dit niet, werkt niet mee aan door vader voorgestelde proefcontacten en spant vervolgens een kort geding aan om deze uitspraak teniet te doen en gebruikt hierbij een ernstig tekortschietend en suggestief verslag, dat door de door haar ingehuurde psychologe O. is opgesteld.
Moeder krijgt begin maart 2002 van de kortgedingrechter ter zitting het advies het kortgeding in te trekken, aangezien hij vader in het gelijk stelt en geen reden ziet om de omgang NIET te hervatten. Partijen dienen wel onderling af te spreken hoe verder. Vader spreekt met moeder ter zitting af dat de omgangsmomenten via de RvdK uitgevoerd worden, in de veronderstelling dat de raad de uitvoering van de opgelegde voorlopige omgangsregeling kordaat ter hand zou nemen.

Het laten afweten van de Raad van de Kinderbescherming.
Het kind is inmiddels ernstig getraumatiseerd door het plotseling afkappen van alle contact met haar vader. Moeder, zelf gestalt-therapeute, heeft volgens eigen zeggen in het afgelopen jaar slechts enkele keren over haar vader met haar dochter gesproken. De dochter is in die tijd zodanig door moeder 'geprogrammeerd' en bang gemaakt voor vader, dat moeder dit angstige gedrag van haar dochter nu welwillend laat zien aan de onderzoekers van de RvdK om haar eigen gedrag te rechtvaardigen, nl. het onthouden van de omgang met de vader. Ook de psychologe die zonder medeweten en instemming van vader door moeder is ingeschakeld om de dochter te 'begeleiden' lijkt aan de angstopbouw bij het kind mee te werken door het waanidee van moeder te koesteren en het kind ook op die manier (als 'incestslachtoffertje' (!)) te benaderen in haar wekelijkse sessies. Dit alles bleek tijdens een gesprek van vader met de psychologe en ook in een eerste ontmoeting met zijn dochter eind maart 2002, waar -tegen elke afspraak in- de moeder aanwezig was en het kind al huilend bij moeder op school zat, angstig en met haar ogen dicht, nog vòòrdat vader binnenkwam. Hierbij waren de onderzoekers van de RvdK niet aanwezig! Het hart van vader draaide om toen hij zijn dochter zo zag. Moeder bevestigd de angst door niet positief over vader te praten of de dochter te laten voelen dat er niets is om bang voor te zijn. Ze houdt haar slechts vast. Ook de aanwezige kinderpsych O. ziet niet wat er wérkelijk gebeurd. Overigens had de vader een bekende meegenomen om de situatie te kunnen laten bevestigen.

De RvdK verifieert NIET hoe de situatie bij vader en kind was vòòrdat de moeder abrupt de omgang staakte, maar gaat mee in het verhaal van moeder. De negatieve houding en het afwijzende gedrag richting vader dat moeder structureel vertoont is door de dochter langzamerhand overgenomen en het resulterende angstige gedrag van de dochter wordt door de raadsonderzoekers slechts als leidraad genomen.
De raadsonderzoekers nodigen zelfs de psychologe (die door de raad als belangrijk worden gezien, omdat moeder daar zoveel waarde aan hecht, terwijl vader en de kortgeding rechter het verslag van haar als zeer suggestief en niet onderbouwd in maart 2002 van tafel veegden) tot 2 maal toe uit. Hiermee gaan opnieuw 3 maanden verloren, er wordt tussentijds niets aan de opgelegde omgang gedaan.

Het vervolg van de rechterlijke uitspraak na het eerste mislukte contact
Bij de tweede en derde keer dat volgens de rechterlijke uitspraak contact zou kunnen worden gemaakt tussen vader en kind, werden door de raadsonderzoekers vader en kind opnieuw (fysiek) uit elkaar gehouden en werd de spanning en de angst bij de dochter nog eens extra bevestigd door het gedrag van moeder én de raadsonderzoekers:
De tweede keer wordt afgesproken dat vader bij zijn dochter thuis op bezoek komt. Raadsonderzoekers waren een uur eerder aanwezig om contact met de dochter te maken. De dochter vindt het nauurlijk spannend om na een jaar haar vader, waarvan zij dat jaar door haar moeder is afgescheiden en dus niets meer van hem heeft gezien of gehoord, weer te zien. Moeder geeft haar dochter geen positief gevoel over het contact en biedt haar ook geen veiligheid in deze. Dochter gaat samen met één van de raadsonderzoekers naar haar kamer boven, op het moment dat vader voor de deur staat. De andere raadsonderzoeker doet vader open. Vader ziet moeder en de raadsonderzoeker, niet zijn dochter. Na een half uur moet hij weer vertrekken.Vader en dochter krijgen geen seconde de kans contact met elkaar te maken. Ook moeder was, tegen de afspraken in, toch aanwezig. Het 'boze wolf' scenario is compleet. De 'boodschap' aan de dochter was: het 'gevaar' is geweken, je kunt weer naar beneden komen. Pure bevestiging van de door moeder eveneens gehanteerde afwijzende en afkeurende houding richting vader. Er wordt achteraf opgemerkt door de raadsonderzoekers dat de dochter het toch wel leuk/spannend vond en vader nakeek bij zijn vertrek.

De derde keer (3 maanden! later) werd er een experiment in de spelkamer bij de RvdK bedacht, om de dochter weer 'aan vader te laten wennen'. De dochter zou in de observatieruimte (achter de éénrichtings-observatie-spiegel; normaal bedoeld voor volwassenen/raadsonderzoekers) met één van de raadsonderzoeksters plaatsnemen en vader zou in de spelruimte met de gedragsdeskundige over zijn dochter praten. Vader vond dit niet bepaald prettig, vooral omdat er geen enkel normaal contact en interactie met hem en zijn dochter mogelijk zou kunnen zijn (vader zou dochter niet kunnen zien of horen, omgekeerd wel). De raadsonderzoekers wilden dit zo.
In beide gevallen werd tegen de gemaakte afspraken en op aandringen van vader in (gezien de sterke invloed die moeders houding en gedrag op de dochter heeft) moeders aanwezigheid toegelaten en NIET door de raadsonderzoekers voorkomen.
Vader moest, op zijn eigen vraag aan de Raad hieromtrent, tot zijn ontsteltenis achteraf horen dat moeder gedurende het hele uur óók achter de observatiespiegel had gezeten, dat hadden de onderzoekers van de RvdK vader niet verteld voordat hij de spelruimte in ging, ook daarna niet (zo gaat het met vermeende misdadigers toch ook?).
Vader moest weer vertrekken, zonder nabespreking. Vader hoort de gedragsdeskundige nog bij de deur van de observatieruimte, waarachter zijn dochter nog zat, zeggen: "je kunt er nu uitkomen hoor, je vader is weg". Hiermee vergroot de gedragsdeskundige bij de dochter opnieuw het beeld dat de vader iets 'engs' is, door aan te geven dat de kust nu 'veilig' is om uit de observatieruimte te komen. Absoluut verwarrend en mogelijk oorzaak van extra onzekerheid voor de dochter, die volgens het verslag eerder van de raadsmedewerkers te horen kreeg dat er niets engs was om bang voor te zijn.

Verslaglegging bevindingen RvdK leidt niet tot vervolgafspraken
Uit de verslaglegging van de raadsonderzoekers, juli 2002, blijkt dat moeder haar dochter tijdens deze sessie minimaal steunt of stimuleerde om te kijken of te lachen, weinig of geen reactie vertoonde en het groeiend enthousiasme bij haar dochter, bij het zien van haar vader en de foto's die hij liet zien, tegenwerkt in haar houding en gedrag.
Deze opgedane ervaring en het verschafte inzicht over de houding en het gedrag richting dochter van moeder, wordt niet omgezet in een vervolgafspraak voor een nieuwe ontmoeting tussen dochter en vader waarbij moeder niet aanwezig zal zijn. Ondanks dat de raadsonderzoekers van mening zijn en dit ook vader laten weten dat ze de 'proefcontacten' niet als echte proefcontacten aanmerken, laten zij het hier verder bij zitten, met als reden dat moeder 'niet meer wil'. Dat dit door de raad als argument wordt gebruikt om niet meer verder te gaan, wordt door vader als ongelooflijk gezien. Dat moeder niet wil is dan al bijna anderhalf jaar het geval, dáárom moest de rechter er aan te pas komen ! De raad blijft bij haar standpunt.
Hierop vraagt de RvdK wel weer opnieuw uitstel van de geplande zitting eind augustus met 3 maanden aan, tot eind november 2002. In al die maanden wordt er niets gedaan m.b.t. werken aan herstel van de omgang, niet tussen vader en dochter, niet tussen vader en moeder, niets door moeder. Vaders verjaardag gaat zonder enig contact tussen dochter en vader voorbij, geen kaartje, geen telefoontje, niets.

De Raad stelt de in november 2001 aangehouden zitting (waarvan de vervolgzitting medio mei 2002 gepland stond) tot 2 (!) maal toe met 3 maanden uit. Totaal doet de Raad 9 maanden over dit 'onderzoek/advies', dit betreft dus een door de rechter als 'spoedeisend' aangemerkte zaak (!).

Herhaaldelijk verzoek om informatief gesprek met omgeving genegeerd door RvdK
Vader en zijn omgeving worden door de RvdK volledig genegeerd. Ook al verzoekt vader de onderzoekers hierom herhaaldelijk en geeft hij aan hieraan grote waarde te hechten als dit gebeurd: niemand uit de omgeving van vader wordt door de 'onderzoekers' van de RvdK uitgenodigd voor een informatief gesprek, of gevraagd om ervaringen m.b.t. de omgang tussen vader en kind, ook grootouders niet, ook schoolarts niet.
Uit verslaglegging in het dossier blijkt, dat de raadsonderzoekers eind mei 2002 besluiten 'dat dit geen meerwaarde zal hebben'. Hierop komt men niet terug.
Louter vooronderstellingen. Uiteraard kan pas ná het houden van dergelijke gesprekken worden vastgesteld of deze meerwaarde gehad hebben in het onderzoek.
Tijdens een gesprek dat vader op eigen initiatief met de schoolarts had, ONTKENT de schoolarts stellig hetgeen de moeder in gerechtelijke stukken schreef over het gesprek dat zij met de schoolarts gehad had, waarin over 'feiten' gesproken wordt en de vader zondermeer als 'dader' wordt aangemerkt.

Negeren voorlopige omgangsregeling
De door de rechter opgelegde voorlopige omgangsregeling van 3 keer een middag van 4 uur worden volledig genegeerd. Het kind en de vader worden bewust in de kou gezet en gehouden. De RvdK laat het ernstig afweten in de uitvoering van deze omgangsmomenten met nota bene als argument dat de moeder 'niet wil'. Vader en kind worden door de RvdK in al die 'onderzoeks' maanden niet één seconde de gelegenheid geboden om zonder de aanwezigheid van moeder weer wérkelijk contact met elkaar te maken. Hiervoor wordt in al die maanden niet één keer een situatie geschapen.
De raadsmedewerkers laten zich tegenhouden door de houding van moeder. Er wordt door de RvdK óók niet gewerkt aan het werkelijke probleem: de (ouder)relatie en communicatie tussen de ouders, het herstel van en maken van duidelijke afspraken m.b.t. de omgang. Dát is pas in het belang van het kind.

Ernstige psychische kindermishandeling wordt door Raad voor de Kinderbescherming zonder actie naar de moeder in stand gehouden.
Teamleidster W. van de RvdK doet niets met het door de vader aangegeven feit dat de door hem ingeschakelde prof. H. hem in november 2001 per E-mail laat weten dat de afkapping van ieder contact na 5,5 jaar prima omgang duidt op een ernstige vorm van psychische kindermishandeling. De Raad lijkt dit niet serieus te willen nemen, hetgeen blijkt uit het nalaten van bijv. een informatief gesprek met prof. H. over zijn bevindingen in oktober.  
De RvdK stelt de zitting met 2 keer 3 maanden uit (nota bene ondertekend door dezelfde teamleider mevr W. die in nov 2001 ter zitting tegen moeder zei dat de omgang spoedig hervat moest worden).
De Raad concludeert dat de omgang voorlopig maar NIET moet plaatsvinden. Deze als ernstige psychische kindermishandeling aangemerkte situatie en onthechting van de prima relatie die tussen vader en dochter bestond, moet volgens de Raad nog maar eens een jaar extra voortduren (aangeduid in het rapport als zgn 'rust'), tot ruim 3 jaar !
Inmiddels zijn we 21 maanden (!) verder en gaat de onthechting tussen vader en zijn dochter gewoon door. Bij de moeder worden, óók door de Raad, tekortkomingen geconstateerd in haar houding en gedrag richting haar dochter en zij wordt vervolgens door de RvdK vrijblijvend (!) geadviseerd om voor zichzelf hulp te zoeken om tot het inzicht te komen dat zij haar dochter de ruimte moet geven om met haar vader omgang te hebben.

Het recht van het kind en de vader op omgang met elkaar wordt hier ondergeschikt en afhankelijk gemaakt van de tekortkomingen bij de moeder en de onwil van de moeder om werkelijk mee te werken aan de hervatting van de omgang. Het abnormale wordt hiermee tot norm verheven ten nadele van de volstrekt legitieme wens van de vader om weer met zijn dochter herenigd te worden !

Wat is de sanctie?
Vader wordt persoonlijk, maatschappelijk en financieel ernstig geschaad door dit gedrag van de moeder. De moeder krijgt echter in haar handelen steun van Justitie (rechter en RvdK), doordat, zelfs na een sepot en op basis van bestaande omgangsrechten van vader en dochter, niet direct omgang wordt opgelegd met een sanctie, indien de moeder deze omgang niet ondersteunt en nakomt. Men kan zich voorstellen dat het vertrouwen in justitie, de rechterlijke macht in Nederland, met betrekking tot deze zaak practisch tot nul gedaald is. Ook wordt de moeder na een sepot van een vals gebleken aangifte niet veroordeeld tot alle (voornamelijk juridische) kosten die door vader gemaakt zijn. Vader heeft gedurende de hele periode al ruim € 11.000,- aan voornamelijk juridische kosten moeten maken. Moeder maakt zeer waarschijnlijk gebruik van een pro-deo advokaat en daarmee is het voor haar nauwelijks een financieel probleem als de procedure zich lang voortsleept. Een langdurige procedure lijkt zelfs in haar 'voordeel' te werken.

Als vader ben ik door deze situatie ernstig geschaad en ook zwaar teleurgesteld in het Nederlandse rechtssysteem alsook in de werkwijze van instanties, rechters en organisatie en werkwijze van de Raad voor de Kinderbescherming. Het gaat er mij hier absoluut niet om om de moeder te beschadigen, maar om haar tot inzicht te brengen dat ze met haar idee van sexueel misbruik volstrekt de plank heeft misgeslagen en hier door haar houding en gedrag onze dochter en mij en mijn familie in zeer ernstige mate onrecht aandoet en beschadigd.
Eind november 2002 heeft de vervolgzitting plaatsgehad, een jaar na de eerste zitting.
De hoop was er op gevestigd dat de rechter nu middels een krachtig ingrijpen een eind zou maken aan deze onrechtvaardige en traumatische situatie. Dat er nu wérkelijk herstel van de omgang kan gaan plaatshebben en dat moeder middels een krachtig afgegeven signaal tot het inzicht gebracht zou worden dat deze handelswijze in Nederland niet kan en dat ze haar dochter door haar getoonde houding en gedrag ernstige psychische schade toebrengt. Dit valt niet te tolereren.

De rechter gaf zeer duidelijk aan dat elke problematiek los gezien moet worden van de omgang tussen kind en ouder. Dat het tegen het belang van het kind is om lang contact en omgang met de vader te missen.
De moeder kreeg de opdracht om ervoor zorg te dragen om haar dochter omgang met haar vader toe te staan. Het advies van de raad ( een jaar 'rust' ) werd als onacceptabel door de rechter van de hand gewezen. De zaak wordt tot begin april aangehouden, dan moet er een omgangsregeling liggen. De raad moet verslag uitbrengen over de periode tot april. Helaas werd weer niet direct een voorlopige omgang opgelegd, vergezeld van sancties bij niet meewerken. De moeder krijgt zo toch nog eens 4 maanden de tijd en gaat de onthechting tussen dochter en vader verder door... en óf moeder meewerkt in die tijd is ook nog maar de vraag.

Wanneer gaan we alstublieft op het gebied van omgangsrecht in Nederland ons gezonde verstand weer gebruiken ? Dat zijn we verplicht aan alle kinderen die op deze manier in hun jeugd door hun eigen moeder van hun vader (en zijn familie en vriendjes en vriendinnetjes van het kind uit zijn omgeving) beroofd worden ! Wanneer beseffen we de enorme psychische, traumatische effecten en schade dat een plotseling verlies en voortschrijdende onthechting van een vader waar jarenlang een prima band mee bestond, bij een kind teweegbrengt ?

Opgelegde Mediation en correctieve sancties noodzakelijk
Uit deze casus blijkt, dat de rechten van ouder en kind op omgang met elkaar veelal als een soort van 'kinder-rechten' worden gezien, als 'speelgoed', als nep-rechten, niet serieus hoeven te worden genomen, rechten die niet door ouderen (lees: rechters, RvdK en meestal de moeders) hoeven te worden nageleefd !

Wanneer worden de rechten van de ouder(s) en kind(eren) op omgang met elkaar nu eens werkelijk nageleefd en door Justitie (rechters en RvdK) serieus genomen in de uitvoering ervan, en worden de kinderen nu eens wérkelijk beschermd tegen ook déze vorm van psychische/emotionele-mishandeling tijdens hun jeugdige ontwikkeling ? Ook deze kinderen zitten ernstig in de knel !

Een drastische herziening van met name de omgangswetgeving en de functies en aanpak van Justitie, de RvdK en soortgelijke organisaties en hun onderlinge samenwerking (o.a. ontbreken van vervolging bij gebleken valse aangifte en sanctie-mogelijkheden bij onrechtmatig onthouden van omgang, de controle daarop, toewijzing ouderlijk gezag aan de niet-omgangfrustrerende ouder).
Opgelegd werken aan de hervatting van de omgang, de concrete invulling en de organisatie ervan tussen de ouders, zou één van de nieuwe functies van de 'vernieuwe' organisatie rond kinder bescherming moeten zijn. Hoe die er precies uit moet komen te zien is punt van discussie, maar de huidige werkwijze van raden en rechterlijke macht is in vele situaties verre van toereikend en vaak extra beschadigend voor de kinderen (en vaders).
Verplichte en opgelegde mediation door ervaren mediators tussen ouders vòòrdat er een negatief escalerend en in bijna alle opzichten schadelijk proces voor alle betrokkenen ontstaat (zeker ook voor het kind), is één van de reeds bestaande ideeën die snel verder uitgewerkt en ingevoerd zouden moeten worden.(zie hoe dit bijv. in Duitsland al werkzaam is).

Minister van Justitie, Politici, Rechters, Directies RvdK, en overige instanties en hulpverleners: Ik vraag u met klem hier gerichte actie op te nemen en alle maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn om te maken dat deze en soortgelijke situaties niet meer voor kunnen komen in Nederland.
Door het geven van een krachtig signaal dat dit niet kan in Nederland en de invoering van krachtige maatregelen, duidelijke sancties en kordaat en gecoördineerd uitvoeren hiervan door betrokken instanties zal ook de beschikbare capaciteit bij Politie, Justitie en RvdK veel efficiënter gebruikt kunnen worden.
Het werkelijk belang van de kinderen en (meestal) de vaders die zich in soortgelijke situaties bevinden staat hierbij voorop.