Door Peter Hoefnagels
Aan het
recht van omgang met kinderen na echtscheiding wordt slecht de hand gehouden. Juridisch
mag dan de 'continuering van het familieleven' na echtscheiding goed geregeld zijn, in de
praktijk van alledag, zo betoogt Hoefnagels, wordt dat 'mensenrecht' in Nederland
veelvuldig geschonden, met ontwrichte kinderlevens tot gevolg.
Sinds 1972 kunnen gehuwde mensen van
elkaar af op grond van duurzame ontwrichting. Korte tijd kon door de gedagvaarde partij
nog een beroep worden gedaan op een grotere mate van schuld' van de ander, maar ook dit
laatste restant schuldbeginsel is uit de wet verdwenen. De 'duurzame ontwrichting'
functioneert als een verschoningsbeginsel waar ook de vrouw in ruime mate gebruik van
maakt. Volgens onderzoeken uit de jaren tacbtig werd de scheiding in 75 procent van de
gevallen door de vrouw aanhangig gemaakt. In mijn bemiddelingspraktijk neemt de vrouw
vaker het initiatief tot scheiden dan de man.
Van 1974 tot heden heb ik de
echtscheidingscultuur zien veranderen. Kort na het nieuwe echtscheidingsrecht van 1972
ontdekte ik de bemiddeling en sindsdien heb ik wekelijks met twee scheidende mensen aan
tafel gezeten en 1000 scheidingsovereenkomsten gemaakt. Dat wil zeggen, van nabij zag ik
de psychologie, de zaken en juridiek van de scheiding zich ontwikkelen. Ik noem enkele
veranderingen:
· Het
maatschappelijke taboe op de echtscheiding is verdwenen. Maakten we in de jaren zeventig,
beginjaren tachtig, met de scheidenden nog een plan hoe familie en vrienden, de werkgever
en de kennissen van hun scheiding op de hoogte te stellen, nu is dat alleen bij
uitzondering een probleem.
· De
schuldcultuur is verdwenen, de psychologie van het schuldgevoel natuurlijk niet. Het
schuldgevoel wordt aan de bemiddelingstafel omgezet in een gezamenlijke
verantwoordelijkheid voor een scheidingsovereenkomst. Maar in de cultus van de
twee-advocaten procedures en in een aantal rapporten van de raden voor kinderbescherming
blijven (of bleven) schuld en schuldtoewijzing vaak virulent aanwezig.
· De vrouw neemt
vaker bet initiatief tot scheiden dan de man.
· De
'Victoriaanse scheiding' - de oudere man verliet het huwelijk met een jongere vrouw, bij
voorkeur zijn secretaresse - verdween ten gunste van de emancipatoire scheiding: De vrouw
zegt de man vaarwel om reden van haar eigen ontwikkeling en wegens een onbevredigende
relatie.
· De oude
discussie over de hoogte van de alimentatie verlegt zich vooral naar de duur van de
alimentatie. Hierbij wordt door de vrouw haar carrière ter sprake gebracht. Dat wil
zeggen dat de bemiddelingsdiscussie in de kaders van levensperspectieven en leeftijden van
man en vrouw wordt gevoerd, zoals daar zijn: de schoolleeftijden van de kinderen en het
achttiende jaar van het jongste kind, de data van de bijdragen studiefinanciering, en de
pensioen leeftijden.
· Een variant is
de vrouw van in de dertig of veertig die zeventig procent voor de kinderen zorgt en
uitrekent wanneer en hoe zij haar carrière not tijdig tot volle bloei brengt, Terwijl de
man aanbiedt graag een paar jaar extra aanvullende alimentatie te betalen als zij haar
groter aandeel in de zorg voor kinderen nog iets langer zou willen voortzetten.
· De
belangrijkste verandering is de nieuwe vader. Stond de vader van de jaren zeventig meestal
ver van de rechtstreekse praktische zorg voor de kinderen (dus nog dichtbij de negentiende
eeuwse vaak afstandelijke vader), nu is de zorgvader naast de zorgmoeder een gewone
verschijning geworden. Ik zie dat niet alleen om me heen en bij mijn eigen kinderen, maar
hoor dat ook aan de bemiddelingstafel. Ofschoon er zelden menselijke vooruitgang valt te
bespeuren in deze wereld, lijkt dit vooruitgang. Vaders die net als moeders van jongs af
aan nabij zijn aan hun kinderen, hen verzorgen, met hen meegroeien, die niet alleen
afwassen en een ei bakken, maar gewoon kunnen koken, soms lekkerder dan zij het kan (zoals
Ad Melkert naar ik vernam); die de was doen en de luiers verschonen. Mocht de jonge vader
drie kwart eeuw geleden nog niet bij de bevalling zijn en mocht hij buiten de kraamkamer
wachten tot de zuster met de baby kwam, vijftig jaar geleden zette hij zijn eerste
schreden in de kraamkamer en, na wat voorzichtige oefeningen, is hij nu, bij alle
verschil, een hulp de vrouw bijna gelijk. Hij si evenveel in de babykamer als moeder,
loopt achter de kinderwagen of heeft het kind de draagdoek. Verdomd, die onwrikbare,
statige, afstandelijke negentiende eeuwse vader is verdwenen. Hij is zelf anders. Hij doet
de huishouding niet hetzelfde als de vrouw, zoals de directrice niet hetzelfde handelt als
de directeur. Zelden zie je vooruitgang, maar hier zie je het.
Informatie over de nieuwe wetgeving
inzake gezag en omgang valt bij de mensen die via bemiddeling scheiden als Gods woord in
een ouderling. Er wordt aan de bemiddelingstafel niet over 'recht op het kind' gesproken,
maar over beschikbaarheid en zorg, contact en oppas. Want recht op contact kan wederzijds
een plicht tot oppas betekenen. Er wordt gesproken over collegiale samenwerking van twee
gezagsdragers die voor hun kinderen moeten zorgen. Al hebben zij hun rol van
huwelijkspartner, wel hebben zij te maken met hun beider rol als ouder, gebaseerd op het
recht van het kind op beide ouders. Tot die collegiale gezagssamenwerking, in welke vorm
dan ook, distant of hartelijk, functioneel of amicaal, zijn zij verplicht, al of niet met een
incompatibilité de humeur, voor het leven. In eenvoudige termen: de minimum
doelstelling van een scheidingsovereenkomst is: dat men gelijkelijk ontevreden is. Maar de
noodzaak van de overeenkomst ziet, en op de hoogtepunten van het leven van de kinderen
zonder problemen samen aanwezig is. In de meeste gevallen wordt een hogere doelstelling
bereikt.
Wanneer mensen echter in een
twee-advocaten procedure om de kinderen gaan strijden, lijkt het een bokswedstrijd zonder
regels, een catch as catch can, waaronder kinderen lijden en ouders hun respect
verliezen. Paul Vlaardingerbroek rekende uit dat er jaarlijks zo'n 16.000 echtscheidingen
met kinderen zijn en in 10 procent ervan wordt over de kinderen geprocedeerd (zie
literatuurlijst). Dat betekent dat jaarlijks 16.000 van zulke procedures worden gestreden;
hierbij gaat het om 3200 kinderen die onderhevig zijn aan deloyale (=haatdragende)
gevechten van hun tot in de vezels gespannen ouders. Alleen de commercieel denkende
advocaat wint aan zo'n strijd, want iedere emotie is goed voor een procedure. Rechters
doen hun best eruit te komen, maar niet zelden zie je ze denken: 'Als God het niet meer
weet, weer de raad het nog'.
'De raad' is de raad voor de
kinderbescherming, maar de raad kent vaak de wet niet, gedoogt dat de verzorgende ouder de
omgang stopzet en adviseert de rechter de verzorgende ouder maar niet te storen in haar
'beleving van de andere ouder' en de omgang te minimaliseren ('zaterdagmiddag van twee tot
vijf eenmaal per veertien dagen'). Is dat 'voortzetting van ouderlijk gezag of
voortzetting van een kind-ouder-relatie?). Soms zelfs wordt de stopzetting door de rechter
beloond met een ontzegging van omgang, zelfs zag ik het dit jaar nog bij twee ouders met
gezag, iets wat volgens artikel 377h B.W.1 helemaal niet kan (de rechter kan bij
gezamenlijk gezag op verzoek van de ouders of één van hen de omgang vaststellen van het
kind met de ouder bij wie het kind zijn gewone verblijfplaats niet heeft.) Er staat niet:
de rechter bepaalt of er omgang plaatsvindt. In geval van gezamenlijke gezagsuitoefening
is ontzegging van omgang onmogelijk (zie 377h). Gezag impliceert contact.
In een recent raadsrapport valt te
lezen dat er geen bezwaar is tegen omgang van het kind met vader, maar in haar beleving(!)
is die omgang onduldbaar voor moeder. Ten einde raad volgt een rechter het advies van die
strekking. Einde contact van het kind met zijn vader. Einde van een mensenrecht voor kind
en ouder.
En dat het hier over een mensenrecht
gaat - deze keer niet ver weg, maar dichtbij, heel dichtbij, de meest dicht bij zijnde: je
vader, je moeder, je kind - is zonneklaar. Daarvoor hoeft men slechts naar internationale
verdragen te kijken.
Niet alles wat uit Europa komt is
vanzelfsprekend. Artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten voor de Mens (EVRM) is
dat wel. De mensen die dat bedachten, waren wijs. Ze kenden waarschijnlijk niet alle
ontwikkelingspsychologische literatuur, maar toch durfden ze, wars van de toenmalige
wetgeving en praktijk, wars van de toen bestaande taboes op echtscheiding, de continuation
of family life, ook na echtscheiding, ook zonder huwelijk, voor ieder kind en iedere
ouder tot mensenrecht te verheffen, de beleving van de moeder ging boven de waarheid,
boven de werkelijkheid en boven de rechten van de mens, van het kind en van de vader
hoogste norm die het recht kent. Als de implementering van dit mensenrecht in de
dagelijkse praktijk gebrekkig is, als jaarlijks tienduizenden kinderen hier onder lijden,
is dit van urgent belang voor de politiek en zal dat mensenrecht en die implementering
niet mogen ontbreken in de verkiezingsprogramma's van politieke partijen.
Het EVRM is vanaf 1950 geldig, maar de
Nederlandse overheid is niet erg ijverig geweest met de invoering en uitvoering ervan. Het
Internationaal Verdrag van de Rechten voor het Kind is in 199O gesloten en in 1995 door
Nederland ondertekend. Kinderen worden niet alleen beschermd. Kinderen hebben ook eigen
rechten. In de jaren zeventig verscheen het rapport Wiarda over rechten van kinderen. Kort
daarna schreven 'zeven jeugdrecht specialisten' in het Nederlands Juristenblad over
de rechten van minderjarigen. 0ok in de jaren zeventig baarde het Marx-arrest opzien,
waarin iedere discriminatie van kinderen (ten onzent: 'onwettige', 'natuurlijke;
'overspelige' kinderen en 'kinderen na echtscheiding') op grond van het EVRM werd verboden
en uit de nationale wetgeving moest worden geëlimineerd. In de jaren tachtig kwam de Hoge
Raad met een voorzichtig arrest over voortzetting van ouderlijk gezag als een eerste stap
naar 'de continuering van family-life'. Het was een niet mis te verstane verwijzing naar
het private domein in artikel 8 van het EVRM.
Na aanmaningen van de Europese
Commissie werd de vereiste continuering van 'family life' na echtscheiding van het kind
met beide ouders in Nederland in 1990 in de wet vastgelegd door een omgangsrecht van
rechtswege voor de ouder die geen gezag had. Voor de ouder die gezag had, was dat al
vanzelfsprekend. Gezag impliceert omgang). Alleen indien 'zwaarwegende belangen' van het
kind dit vereisten, kon uitsluitend de rechter hier een uitzondering op maken voor de
ouder zonder gezag. Ik heb dit wetsvoorstel mee mogen behandelen in de Eerste Kamer en was
er zeker van dat vijandige scheidingsemoties de relatie van het kind met de andere ouder
niet meer konden frustreren. Staatssecretaris Kosto was daar ook van overtuigd.
Sinds 1998 is voortzetting van het
gezamenlijk ouderlijk gezag van beide ouders na echtscheiding wet. Ook deze wet v1oeide
rechtstreeks voort uit het Europees Verdrag van de Rechten voor de Mens. Daarmee werd het
contact met beide ouders nog eens extra verankerd als mensenrecht. Sinds het arrest van de
Hoge Raad van van 10 september 1999 is dat nog eens bevestigd: geen eenhoofdig gezag,
tenzij een ouder 'een onaanvaardbaar risico' voor het kind zou zijn (Men kan zich
afvragen: zou het geen 'onaanvaardbaar risico' zijn als een ouder omgang frustreert, omdat
hij/zij niet boven de scheidingsemoties ataat?). Hoe dan ook, met dit verdrag en deze
wetgeving en de steeds duidelijker uitspraken van de Hoge Raad, zou een weldenkend mens
zeggen, is de voortzetting van de relatie van het kind met iedere ouder na scheiding
stevig vastgelegd en gewaarborgd. Na bijna vijftig jaar gold dit mensenrecht ook voor de
vele tienduizenden kinderen van gescheiden ouders in Nederland.
Maar pas op, toen ik in 1995 na het
wetgevend werk in de Eerste Kamer weer volop in de praktijk van het familierecht
terechtkwam, bleken Verdrag, wet en mensenrechten in de praktijk een illusie. De
'deskundigen' van de staatssecretaris van justitie bij de raden voor de kinderbescherming
bleken in veel gevallen de wet van 199O niet te kennen. Niks geen continuering van family
life; niks geen mensenrechten in Nederland, niks geen kind-ouder relatie als de
verzorgende ouder het niet wilde. Nee hoor, alles ging gewoon door zoals het ging onder de
onder de oude wet en alsof het ook door Nederland getekende EVRM niet bestond.
In augustus 2OO1 verzekerde de directie
van het hoofdkantoor van de raden mij in een aangenaam en vertrouwenwekkend onderhoud dat
er thans reeds anders gewerkt wordt door de raden, dat de primaire verantwoordelijkheid,
ook bij conflicten, bij de ouders ligt en de dat hun interventie altijd begint met het
centraal stellen van die verantwoordelijkheid, dat de raad voor verplichte bemiddeling is
alvorens te kunnen procederen over kinderen, kortom dat reeds veel verbeterd is bij de
raden. Wat ik hier beweer zou dus reeds tot het verleden behoren. Helaas constateer ik in
de harde en weerbarstige praktijk dat de goede bedoelingen van de directie nog lang niet
alom geïp1ementeerd zijn. Ik ga dus nog even door.
Raden voor de kinderbescherming en
advocaten deden vaak niet mee aan de nieuwe wet. Als de ouder bij wie het kind verbleef
(in 90 procent van de gevallen de moeder) de overeenkomst van omgang, eenzijdig en
uitdrukkelijk in strijd met de wet, stopzette, vroeg de advocaat van de
omgangs-gefrustreerde ouder in kort geding niet om voortzetting van de overeenkomst tussen
de ouders, maar om een omgangsregeling door de rechter. Op dit bij uitstek private domein
deed men alsof de privaatrechtelijke overeenkomst niet gold. Maar ook omgangsregelingen
die door de rechter werden vastgesteld bleef de verzorgende ouder zo maar stopzetten.
Moeders wil is wet en de wetgever kon met zijn blote benen naar bed. En als de raad voor
de kinderbescherming werd ingeschakeld, deed dit overheidsorgaan alsof het mensenrecht
niet bestond en het nam niet eens de moeite om de verzorgende ouder op haar schending van
mensenrecht te wijzen, noch de rechter te verwittigen als het 'stopzetten' voortduurde,
zelfs niet wanneer de rechter de omgang zelf had opgelegd. In Nederland gaan
'discontinuering van family life', relatieverbreking en 'stopzetting van de omgang', hoe
onwettig ook, tot op de dag van vandaag door. Ook de politiek, systematisch bestookt door
brieven over dit onrecht, toch ijverig als het mensenrechten in verre linden betreft, deed
alsof continuering van het familieleven in Nederland niet als een mensenrecht bestond.
Hoe is dit alles mogelijk? Er is iets
taais dat in de weg zit, een taai slijm dat in een verouderde Cultus is genesteld en
waartegen we een medicijn moeten vinden.
Wat de raad voor de kinderbescherming
aangaat zijn er evidente aangrijpingspunten voor de politiek en de verkiezingsprogramma's.
De raden vallen immers onder de politieke verantwoordelijkheid van de staatssecretaris van
Justitie. Uit enkele tientallen onderzoeken naar raadsrapporten en -adviezen, door mij
gedaan om expertises aan rechtbanken en hoven uit te brengen, kan ik het volgende
concluderen:
· De
raadsmedewerkers waren niet op de hoogte van de nieuwe wetgeving noch van het EVRM. Als
moeders de omgang stopzetten informeerde de raad haar niet over wet en verdrag, noch gaf
het rapport enig blijk dat de raad zich realiseert dat hij in een wettelijk en justitieel
kader werkt.
· De beleving
van de verzorgende moeder dat zij 'er niet tegen kan dat bet kind contact beeft met vader
ging boven de feiten. De beleving van de moeder ging boven de beschikbaarheid van de
vader. De beleving van de moeder dat het kind wel eens iets zou kunnen aandoen' ging boven
de feitelijke constatering van de raad 'dat er tegen een omgang met de vader geen bezwaar
was in te brengen' en er in de twee jaar dat vader wel omgang had, alleen maar een goede
relatie met vader was gebleken. De beleving van de moeder ging boven de waarheid, boven de
werkelijkheid en boven de rechten van de mens, van het kind en van de vader.
· Moeder wilde
zelf geen contact met vader nog een contact tussen vader en kind 'omdat zij er niet tegen
kon' en dat werd zonder meer aanvaard. Het onderzoek werd dan ook aan twee tafels apart
gedaan, hetgeen niet strookt met de huidige kennis omtrent de psychologie van de
echtscheiding en in één geval bovendien in strijd was met de opdracht van de rechter die
de zaak aanhield voor bemiddeling, niet strookt met de voortzetting van het gezag van
beide ouders noch met de Beleidsbrief van de Staatssecretaris aan de Tweede Kamer dd. 1997
die bemiddeling en overeenkomst voorstaat.
· De psychologie
van de scheiding komt in de besluitvorming niet uit boven 'een sentiment voor de moeder'.
Dit sentiment is alleen verklaarbaar uit een verouderde opvatting van de zorgende
moederrol en een achterlijke miskenning van de nieuwe vaders.
·
De wens van moeder om vader (zoveel mogelijk) buiten te sluiten
komt voort uit haar gebrek om in haar ouderrol boven haar scheidingsemoties te staan. Wie
daaraan toegeeft miskent een oud rechtsadagium: 'aan eigen slechtheid (of gebrek) kan men
geen recht ontlenen'.
Summa summarum: het taaie
slijm zit 'm in een verouderde cultus van verouderde opvattingen over vaders en moeders,
onkunde van Verdrag en wet, miskenning van de rechten voor de mens en gebrek aan kennis
van de psychologie van het scheidingsproces.
De oorzaak van frustratie van omgang of
contact door een van de ouders was in alle gevallen die ik onderzocht het non-adieu,
dat is een gebrek in het afscheidsgesprek tengevolge van een gebrek aan scheidingsmelding,
waardoor onverwerkte scheidingsemoties bij de ex-partners ontstaan, die liefde in haat
doen verkeren. In alle door mij onderzochte gevallen bleek de afwezige of onvoltooide
scheidingsmelding de oorzaak van de onverwerkte emoties (noot 1). In geen van de duizend
bemiddelingen, waarin de scheidingsmelding aan de orde kwam, werd de relatie van een kind
met een ouder verbroken.
De laatste tijd constateerden we een
gunstige verandering in de rechtspraktijk: de rechter hield zo'n vermaledijde procedure
over het kind aan om te verwijzen naar de bemiddelaar.
In een zaak die ik kortgeleden voor een
door de rechter verplichte bemiddeling kreeg, was bijna drie jaar gevochten voor rechtbank
en hof. Vele rechters hadden er vele uren aan besteed. Na drie uur bemiddeling was er een
omgangsovereenkomst. In andere zaken met door de rechter opgelegde bemiddeling kwam de
omgang wel meteen tot stand, maar waren meer bemiddelingszittingen nodig om de strijdbijl
te begraven.
De gevolgen van de verbreking van de
ouder-kind relatie zijn zeer serieus: tijdens de anderhalf tot vier jaar durende
procedures leert het kind dat agressie, boosheid en vervreemding tussen ouders normaal is
dat een relatie zo maar kan wegvallen, dat je tegen beter weten in onwaarheden over je
vader of moeder mag zeggen, dat een ouder verstoten wordt. Tenslotte ondergaat het kind
het ouder verstotings syndroom, zoals de Amerikaanse hoogleraar kinderpsychologie Richard
Gardner beschrijft in zijn The Parental Alienation Syndrome, waarbij
identiteitsverlies optreedt, waandoor het kind vaak pas op dertig- of veertigjarige
leeftijd een therapie zal doormaken.
Advies aan wetgever, rechter en Orde
van advocaten: barrières opwerpen tegen twee-advocaten procedures in het algemeen en in
het bijzonder over kinderen. Hierbij kan aangesloten worden bij de Beleidsbrief van de
staatssecretaris van justitie 1997 aan de Tweede Kamer, waarin zij schrijft: Scheidende
mensen zijn primair zelf verantwoordelijk voor de rechtsgevolgen van hun scheiding. D.w.z.
dat zij tot overeenkomsten dienaangaande moeten komen, desgewenst met een bemiddelaar. De
aanbeveling van de staatssecretaris leidt tot het primaat van de overeenkomst en, daarvan
afgeleid, het primaat van de bemiddeling. Wat let de wetgever om geen eenzijdige verzoeken
tot echtscheiding of aanverwante procedures toe te staan zonder daaraan voorafgaand
gebleken serieuze pogingen om tot overeenkomsten te komen? (noot 2)
Zeker in kinderzaken is verplichte
bemiddeling noodzakelijk, want de juridische processen functioneren als exercitievelden
van vechtende ouders die in strijd zijn met het belang en de ontwikkeling van het kind.
Het is niet goed in een oorlog groot te worden. Het kind dient beschermd te worden tegen
zulke respectvernietigende, tijdrovende, de kinderleeftijd en het kinderlijk tijdbesef
verre overschrijdende, geldverslindende en kindermishandelende procedures, waardoor de
overheid, in casu de wetgever, de wapens leveren en waaraan de Nederlandse Orde van
Advocaten geen grenzen stelt. Alleen reeds de tijdsduur nodig om de rapporten van de raad
voor de kinderbescherming te maken, is in strijd met het kinderlijk tijdsbesef en ontzet
kinderlevens.
Bovendien zijn de meeste rapporten
overbodig, want ze gaan nog over de vraag 'wie de beste of de slechtste ouder is'. Sommige
rapporten lijken meer op gesubsidieerde roddel dan op serieuze forensische rapportage Pro
Justitia. De vraag naar de beste of slechtste ouder komt nog uit de tijd dat één ouder
de macht kreeg en de andere niets en mist relevantie. Dat mag de overheid ook niet
onderzoeken, niet tijdens huwelijk en niet na scheiding, want datzelfde ouderlijk gezag
loopt bij echtscheiding door. Zo'n onderzoek is ook in strijd met een ander mensenrecht,
namelijk het privacy-beginsel, neergelegd in art. 8 EVRM.
De onderzoeken van de raad in
scheidingszaken naar de relaties stammen uit een tijd dat het Europees Verdrag van de
Rechten voor de Mens niet bestond (of nog niet was doorgedrongen) en de raad nog moest
uitzoeken 'wie de beste en minst schuldige ouder was.' Onder het verdrag en de huidige wet
daarentegen waren beide ouders na scheiding even goed of slecht geacht als tijdens
huwelijk. De kwaliteit van de ouders is tijdens huwelijk en na scheiding rechtens niet aan
de orde. Tenzij een kinderbeschermende maatregel nodig zou zijn, maar daarmee verlaten we
het private domein van de echtscheiding en het lijkt me zeer de vraag of de raad die een
privaatrechtelijke kwestie na echtscheiding onderzoekt dit onderzoek zonder vorm van
proces mag veranderen in een publiekrechtelijk kinderbeschermingsonderzoek. Het gaat hier
immers om private rechten van kinderen en ouders op contact met elkaar, niet om
kinderbeschermingsrecht. Rechten van kinderen, zoals neergelegd in het omgangs- en
gezagrecht, behoren tot het privaatrecht; kinderbeschermingsrecht heeft een
publiekrechtelijk karakter (waarvoor de raden voor de kinderbescherming destijds zijn
ingesteld).
Sinds op echtscheiding geen taboe meer
rust, sinds de schuld aan scheiden geen reden meer is om iemand het gezag te onthouden
(dat was ongeveer een eeuw geleden zo) is echtscheiding geen signaal om kinderen te
beschermen. Het is bij de vele fouten die de raden tot nu toe maakten in zaken van omgang
en gezag de vraag of de raden voor de kinderbescherming zich niet tot hun
kinderbeschermende taak en het kinderbeschermingsrecht met zijn maatregelen moeten
beperken.
Het recht kan slechts kaders scheppen
voor familierechterlijke relaties, niet de relatie zelf verbeteren.
Voor S&D bewerkte en ingekorte
voordracht van prof dr G.P. Hoefnagels op de conferentie over 'Omgangs (on)recht,
georganiseerd door 'Actiecomité Stop Omgangsonrecht' en 'PvdA vrouwen' in Theater
Concordia te Den Haag op 31 mei 2001 voor Kamerleden en andere genodigden.
Over de auteur: Peter Hoefnagels is
emeritus hoogleraar familierecht en scheidingsbemiddelaar. Oud-lid van de Eerste Kamer.
Meerjaren beleidsplan 2001-2004 van de raden voor de kinderbescherming.
G.P. Hoefnagels, Handboek
scheidingsbemiddeling, Mediation als methode van recht en psychologie. Tjeenk Willink,
Deventer, tweede druk, 2001.
G.P. Hoefnagels, Gelukkig
Getrouwd Gelukkig Gescheiden. Bemiddeling en overeenkomst bij trouwen en scheiden (publieksuitgave)
5e druk. L.J. Veen, Amsterdam 2001.
P. Vlaardingerbroek: Omgangsrecht.
Een lezing over omgangsrecht en zijn juridische (on)mogelijkheden. Lezing aan de KUB te
Tilburg op 14 maart 2000.
16. Over de scheidingsmelding, zie
mijn Handboek Scheidingsbemiddeling en Gelukkig Getrouwd Gelukkig Gescheiden.
17. Soms is het mogelijk en wenselijk
om het belang van een kind (en ouder) inzake family life op een meer directe manier na te
streven, namelijk door tussen de ouders te verschuiven. De wet biedt daartoe meerdere
mogelijkheden. Zie hiervoor verder het onderwerp 'paradoxale toewijzing' in het Handboek
Scheidingsbemiddeling.
Uit: Socialisme en Democratie, tijdschrift van het kenniscentrum van de PvdA, februari 2002.