Recensie
door Rob van Altena
Oorspronkelijke
titel: The Parental Alienation Syndrome
Richard A.Gardner,
Uitg. Creative Therapeutics, Cresskill, N.J., U.S.A. 1992.
ISBN 0-933812-24-8
Richard A. Gardner is hoogleraar in de toegepaste
kinderpsychiatrie aan de Columbia Universiteit van New York en schrijver van een stuk of
35 boeken over kinderen in echtscheiding die, evenals de schrijver zelf, in Amerika een
hoog aanzien genieten.
Met de door hem bedachte term Parental Alienation Syndrome
(PAS) duidt Gardner een geestelijke stoornis aan die sinds een jaar of vijftien steeds
meer optreedt bij kinderen waarvan de ouders klem zitten in een vechtscheiding. De
stoornis bestaat daaruit dat het kind ervan bezeten raakt de ouder bij wie het niet woont
(de 'gehate' ouder) te kleineren, beschuldigen en uit te stoten - zonder reden of om
aanleidingen die in geen verhouding staan tot een levenslange uitstoting. De aanduiding
'hersenspoelen' (door de 'geliefde' ouder) vindt Gardner hier te beperkt omdat er buiten
die programmering vooral ook krachten meespelen in het kind zelf en uit de sociale
omgeving.
De versmade ouder is in 90% van de gevallen de vader en in
l0% de moeder. Maar ter vereenvoudiging hanteert Gardner meestal maar het woord 'vader' om
niet permanent in juistere maar ook omslachtige woordcombinaties als 'verstoten ouder' of
'vervreemde ouder' te moeten vervallen. Om diezelfde reden lijkt het ook wel verantwoord
om 'parental alienation syndrome' (PAS) vereenvoudigd te vertalen met
'vaderverstotingssyndroom'. Gardner begint met de waarschuwing dit begrip vooral niet toe
te passen op kinderen die om een geldige reden (b.v. ernstige mishandeling) niets meer van
een ouder willen weten. In zulke gevallen is het verstoten van die ouder immers geen
ziektebeeld te noemen: het wordt dat pas wanneer de verstoting redeloos is en zelfs tegen
het eigen belang ingaat. Het kind heeft zijn ouderpaar dan als het ware doorkliefd in een
'geliefd' en een 'gehaat' deel, aanduidingen die door Gardner bewust tussen haakjes worden
gezet: "De gehate ouder wordt alleen ogenschijnlijk gehaat, er is nog veel liefde
aanwezig. En de geliefde ouder wordt soms meer gevreesd dan geliefd." Er bestaat met
deze ouder echter blijkbaar een sterkere gevoelsbinding dan met de gehate ouder.
Natuurlijk hebben kinderen een binding met allebei de ouders maar de sterkste binding zou
bestaan met die ouder door wie zij als baby en als kleuter het meest verzorgd werden. Die
binding wil het kind bewaren en zodra het denkt dat zij door de vechtscheiding bedreigd
wordt, begint het daarom tegen de andere ouder een afstotingscampagne. De wapens die het
daarbij inzet, zijn vaak kinderlijk en simplistisch. Helaas zal de moeder vaak ook van de
onzinnigste klachten van het kind met welbehagen kennis nemen. En nog eens helaas laten
ook advocaten en zelfs rechters zich soms door zulke klachten meeslepen in plaats van te
vragen of dat nu redenen zijn om een vader nooit meer te willen ontmoeten. Juist het
onlogische en absurde karakter van de klachten zijn tekenen dat het hier om eigen inbreng
van het kind en dus om een verstotingssyndroom gaat. Een ander duidelijk teken is het
ogenschijnlijk geheel ontbreken van ambivalente gevoelens.
Nu is bezeten haat vaak maar een dunne verhulling voor diepe liefde. Echte verwerping is
neutraliteit, weinig of niet meer aan iemand denken. Het tegendeel van liefde is niet haat
maar onverschilligheid. Bij deze kinderen neemt liefde echter de vorm van haat aan omdat
zij zich tegenover hun moeder schuldig zouden voelen als zij openlijk liefde voor hun
vader zouden bekennen.
Andere oorzaken die bij de vorming van het PAS een
belangrijke rol kunnen spelen zijn angst voor een agressieve ouder, overneming (inductie)
van haar gevoelens, eenzijdige idealisering en de kans nu vrij baan te kunnen geven aan
woede die normaal onderdrukt of in banen geleid wordt.
Hoewel Gardner de eigen inbreng van het kind per definitie vooropstelt, laat hij ook geen
twijfel bestaan aan de grote rol van de 'moeder' (die dus in l0% van de gevallen de vader
is). Hij gebruikt hiervoor de termen programmeren of hersenspoelen: "hoewel dit
laatste niet als een vakterm wordt beschouwd en in strikt wetenschappelijke publicaties
niet erg aanvaard is, zie ik het wel degelijk als een nuttig woord omdat het heel direct
aangeeft dat een mens het denken van een ander probeert te veranderen door middel van een
welbewust proces."
Van dit programmeren geeft de schrijver dan een bladzijden
lange catalogus van voorbeelden waarvan we er hier maar enkele kunnen aanstippen: "Er
zijn moeders die zodra hun man vertrokken is, door het huis razen en alles vernielen wat
nog maar aan zijn bestaan zou kunnen herinneren. Algemeen is de manoeuvre om de vader voor
te schrijven dat hij bij het afhalen van de kinderen in zijn auto moet blijven zitten en
zijn aankomst maar kenbaar moet maken door te toeteren: aan de voordeur komen is er niet
bij en aanbellen al helemaal niet. Ook het antwoordapparaat is een machtig wapen: het
staat altijd aan, ook als de moeder thuis is. Als de telefoon gaat, luistert zij eerst wie
er belt voordat er al of niet opgenomen wordt. Voor de vader wordt in elk geval niet
opgenomen en zo krijgen de kinderen praktijkles hem maar te laten praten en geen antwoord
te geven. Deze gewoonte is zo algemeen dat ik een aantal zaken heb meegemaakt waarbij de
vader de moeder via een gerechtelijk bevel moest verplichten om als zij thuis was het
antwoordapparaat af te zetten en de telefoon op te nemen zodat de vader met zijn kinderen
kon bellen. In veel gevallen kon dat bevel helaas ongestraft genegeerd worden, zoals dat
met gerechtelijke uitspraken tegen PAS-moeders trouwens vaak het geval is."
"Zodra het om de bezoektijden gaat, houden deze moeders zich juist weer uiterst stipt
aan de vonnissen: 'Als je een minuut te vroeg aan de deur komt, bel ik de politie!' of
'Als je een minuut te laat komt, krijg je ze niet mee!'. Ook door sabotage van het bezoek
kan een wrede moeder zich doeltreffend wreken en hoe groter de afstand die de bezoekvader
moet afleggen, des te krachtiger dat wapen is. Ik heb een aantal zaken meegemaakt waarin
vaders voor een bezoekrecht naar de andere kant van Amerika reisden, alleen om te bemerken
dat hun kinderen niet op de afgesproken plaats en tijd aanwezig waren. Helaas ondernemen
rechtbanken meestal niet veel tegen dit soort wreedheid en dat is van belang voor de
vorming van het vaderverstotingssyndroom omdat kinderen zo de boodschap meekrijgen dat een
bezoek van de vader onbelangrijk is en ook dat niemand zich er iets van aantrekt als hij
gemeen behandeld wordt."
Bij schoolvoorstellingen zetten moeders de kinderen onder
druk door te zeggen dat zij (de moeders) niet gaan als de vader komt. Dat geeft het kind
het gevoel dat de vader een soort ordeverstoorder is die louter door zijn aanwezigheid
alles zal bederven. Naar mijn ervaring zijn echter juist dit soort moeders eerder geneigd
tot demonstratief gedrag dan hun gehate ex-echtgenoten: een mooi voorbeeld van hoe het
projectiemechanisme bij deze vrouwen werkt." "Wat veel tot het
verstotingssyndroom bijdraagt is om elke contactpoging van de gehate vader als 'lastig
vallen' te bestempelen. De vervreemde vader blijft immers vaak blijkgeven van
belangstelling door op te bellen, te proberen de kinderen te zien, cadeautjes te sturen
enz. en wanneer dit door de moeder als 'lastig vallen' wordt gebrandmerkt, gaan ook de
kinderen het zelf op de duur zo zien. Als de vader opbelt voor de kinderen, geeft zo'n
moeder antwoorden in de trant van: "Ze zijn bezig", "Ze gaan net
eten", "Ze zitten net te eten", "Ze zijn nog niet met hun eten
klaar", "Ze kijken net televisie", "Ze zitten net hun huiswerk te
maken", "Ze spelen met andere kinderen", "Ze gaan net naar bed"
enz. De vader schijnt nooit op het goede ogenblik te bellen: wat de kinderen ook doen, ze
mogen nooit door hem gestoord worden. Elke bezigheid, hoe onbeduidend of willekeurig ook,
is belangrijker dan de vader.
"Series moeders heb ik gesproken die hun kinderen bij
een psychiater hadden gebracht zonder dat de vader dat zelfs maar wist. Naar mijn ervaring
gaan veel therapeuten daar helaas in mee waardoor zij zonder dat blijkbaar te beseffen het
verstotingssyndroom in de hand werken. Het medisch beroepsgeheim bestendigt hier de
psychopathologie. Verantwoordelijke en verstandige therapeuten werken zo niet."
"Men dient goed te beseffen dat veel van deze moeders heel wat minder liefdevol voor
hun kinderen zijn dan een naïeve waarnemer dat op het eerste gezicht zou denken.
Ogenschijnlijk willen zij het kind tegen de gevreesde ouder beschermen uit liefde. Maar
een echt liefdevolle ouder begrijpt heel goed hoe belangrijk ook de niet-zorgouder voor de
kinderen is en de minachtingscampagne waarin deze moeders de kinderen meeslepen, is juist
niet in het belang van het kind, ja een blijk van hun tekortschieten als ouder".
"Wanneer zulke moeders de juridische strijd om het gezag 'winnen', bereiken zij niet
alleen dat gezag maar uiteindelijk ook een totale vervreemding tussen hun kinderen en de
gehate ex-echtgenoot. Dat deze overwinning de kinderen geestelijk kan vernielen is wat zij
diep in hun hart misschien wel willen. En zij voelen aan dat zij dat door onophoudelijk
vechten, indoctrineren en vervreemden ook kunnen bereiken." Ook de l0% vaders die
kinderen van hun moeders weten te vervreemden, kunnen er trouwens wat van. Toen een moeder
haar zoontjes naar hun schoolrapporten vroeg, zeiden die dat zij "veel te groot waren
dan dat hun moeder nog voor hen op de ouderavonden hoefde te komen" en dat zij zich
trouwens "moest schamen om over kinderen van onze leeftijd nog op school te gaan
navragen". De jongetjes waren zeven en negen jaar oud. Een andere vader zei de
kinderen dat hun moeder hen aan hem had "verkocht" en liet als bewijs daarvan
zijn alimentatiekwitanties zien. Toen de moeder de kinderen opbelde, wilden die niets meer
van hen weten: "je bent onze moeder niet meer, je hebt ons aan vader verkocht!"
Hoewel het vaderverstotingssyndroom geen geestesziekte is, beschouwt Gardner het wel als
een sterke psychische stoornis en als een voorbeeld van het zogenoemde 'folie-a-deux', een
verschijnsel waarbij de ene partij zijn/haar psychische afwijking op de andere overbrengt,
zodat zij die dan allebei hebben. Andere Amerikaanse psychiaters delen het PAS meer in bij
het Munchhausensyndroom by proxy (door overdracht), een stoornis die voor het eerst zo
genoemd is door J.Money in l986 naar de bekende ongeremde fantasieën van baron von
Munchhausen. Het syndroom bestaat daaruit dat een ouder totaal verzonnen verhalen, vaak
ingebeelde ziekten, overal voor waar gaat rondvertellen en dat gedrag op haar kind weet
over te brengen. Ook valse incestbeschuldigingen worden (voor het eerst in 1989 door
D.C.Rand) tot dit Munchhausensyndroom gerekend. Gardner houdt er echter aan vast dat het
vaderverstotingssyndroom iets zelfstandigs is omdat daarin volgens hem meer sprake is van
een, zij het sterk beïnvloede, inbreng door het kind zelf.
De schrijver onderscheidt drie gradaties van het
verstotingssyndroom: de ernstige, matige en lichte gevallen. Bij de ernstige gevallen zijn
de moeders volkomen fanatiek en soms paranoïde. Zij projecteren op hun ex-echtgenoot
allerlei verderfelijke eigenschappen en bedoelingen die zij in werkelijkheid vaak zelf
hebben. Dat geldt ook voor de valse sexbeschuldigingen. Met de kinderen is een
folie-a-deux binding ontstaan: zij delen de paranoïde fantasieën van de moeder en kunnen
in totale paniek op de vlucht slaan als zij de vader (moeten) ontmoeten. Bij de matige
gevallen gaat het niet zozeer om gestoorde vrouwen maar om vrouwen die razend zijn dat zij
door hun man verlaten werden. De binding met de kinderen is gezond te noemen. Voor de
scheiding waren zij vaak goede opvoedsters (in tegenstelling tot de moeders van de
ernstige gevallen, die als opvoedsters ernstig tekort schoten). Als kinderen uit zichzelf
met een sexbeschuldiging komen aanzetten dan kunnen deze moeders toegeven dat die vals is.
Kinderen van deze moeders maken weliswaar hun vader zwart maar zijn nog wel in staat die
houding te veranderen wanneer zij weer regelmatig met de vader in aanraking komen. Hun
afweerhouding komt daaruit voort dat zij de gezonde binding met hun moeder willen
verdedigen. Ook bij de lichte gevallen van vaderverstoting hebben de kinderen een gezonde
binding met de moeder. Hier gaat het meest om moeders die in de eerste kinderjaren erg
goed voor de kinderen gezorgd hebben en nu de kinderen tegen de vader programmeren om als
het ware hun eigen positie veilig te stellen. Opmerkelijk in het boek is een lang
hoofdstuk, gewijd aan de vormen van procesrecht die in de loop van de geschiedenis in
verschillende landen bestaan hebben. De schrijver komt daarop omdat hij het tegenwoordige
civiele procesrecht van de Westerse wereld als de hoofdschuldige beschouwt van het
mensonterende touwtrekken om de kinderen. Het Amerikaanse rechtsstelsel (en het Europese)
kan worden aangeduid als een conflictsysteem met in Amerika ook nog eens een sterke hang
naar een 'Winner takes all' uitkomst. In Aziatische landen zijn daarentegen begrippen als
bemiddeling en verzoening veel sterker in de maatschappij verankerd. Als twee Japanners
een geschil hebben dan gaan zij vaak eerst samen naar een door hen allebei geachte oudere
om die om bemiddeling te vragen: wie dat niet doet wordt zelfs als een a-sociale
ruziemaker beschouwd. Komt men er zo niet uit dan kan men zich wenden tot bestaande
buurthuizen voor geschillenbemiddeling en pas als ook daar geen oplossing gevonden wordt,
zal men naar een advocaat stappen. Dat is een van de redenen waarom er in Japan maar een
advocaat op de 10.000 inwoners is en in de Verenigde Staten een op de 320. Onze civiele
procesvoering heeft volgens de schrijver ook nog trekken overgehouden van die middeleeuwse
processen die uiteindelijk namens de partijen in een tweegevecht werden beslecht door
beroepsworstelaars. Bedoeld wordt het sterke gewicht van de advocatuur, waaraan tot
omstreeks l850 trouwens meer de eis zou zijn gesteld de tegenstander en de waarheid te
eerbiedigen terwijl daarna de nadruk is verschoven naar de belangen van de cliënt.
Illustratief in dit verband is de titel van een recent boek van een van Nederlands
bekendste pleiters (mr. G.Spong, 'Leugens om bestwil', Amsterdam, l997). "Het
gevolg", schrijft Gardner nogal cru maar onomwonden, "is dat naar mijn mening
studenten in rechtsfaculteiten worden opgeleid tot leugenaars". En hij sluit af met
de vaststelling dat het strijdproces in elk geval een ongeschikte oplossing is gebleken
voor die vele gevallen waarin de partijen oorspronkelijk helemaal niet tegenover elkaar
stonden. Een ander interessant hoofdstuk behandelt de geschiedenis van het toewijzen van
de kinderen na scheiding. Volgens de Code Civil (ingevoerd in l804) bleven kinderen na
echtscheiding - die toen praktisch nog niet voorkwam - automatisch bij de vader: dat
vloeide voort uit diens rechtspositie als gezinshoofd. Maar al gauw daarna ging het
schuldbeginsel overwegen en zo gold b.v. in Nederland sinds het Burgerlijk Wetboek van
1838 als hoofdregel dat de kinderen bij die ouder kwamen die aan de scheiding onschuldig
was - naar het oordeel van de rechtspraak, die volgens velen op dat punt toen nog strenger
voor moeders dan voor vaders was. Kleine kinderen bleven wel bij de moeder maar gingen als
zij opgroeiden dus (weer) naar de vader als die de onschuldige partij was geweest. Van
ongeveer l900 af begon internationaal de opvatting door te breken dat moeders door hun
zachtaardigheid nu eenmaal beter geschikt zouden zijn om kinderen op te voeden: een
veronderstelling die in Engelstalige landen nog altijd wordt aangeduid met de vakterm
"tender years presumption". Nederland liep hierin nogal voorop: al sinds l901
gold er de regel dat het kind na echtscheiding onder eenhoofdig gezag stond van de ouder
die ook de dagelijkse zorg mocht geven en dat was steeds vaker de moeder. In Engeland gold
hetzelfde sinds l925. Aanvankelijk werd daarbij aan moeders nog wel de eis gesteld de
kinderen een goed moreel voorbeeld te geven, waardoor b.v. een vrouw die haar man bedrogen
had vaak niet voor gezag en zorg in aanmerking kwam. Maar die eisen werden steeds meer
afgezwakt. Ook in België is het voorrangsrecht van de onschuldige ouder in l965
vervallen. Praktisch elke moeder die bereid en beschikbaar was, kreeg voortaan bij
voorrang de kinderen. Na de tweede wereldoorlog begon het aantal scheidingen bovendien de
pan uit te rijzen en brak er een tijd aan die, althans voor de advocatuur, best als de
gouden eeuw van de echtscheidingsprocessen kan worden aangemerkt. Gardner citeert (blz. 43
e.v.) nogal wat boeken van Amerikaanse advocaten waaronder deze: "Als ik mijn kantoor
uitkom op weg naar het gerechtsgebouw, dan weet ik dat daar een zaak wacht waarin geen
plaats is voor vergelijk of verzoening of het goede afwegen tegen het slechte. Het wordt
een zaak van erop of eronder, van vechten met klauwen en tanden. En daar geniet ik van
(H.A.Glieberman, Confessions of a Divorce Lawyer, Chicago, l975)". Sinds ongeveer
l975 begon de vooronderstelling dat de moeder door haar zachtaardigheid nu eenmaal de
beste ouder is, in Amerika terrein te verliezen. Er kwam een nieuw beginsel op: in onze
maatschappij met haar totale gelijke kansen - waarin ook vrouwen desgewenst
straaljagerpiloot, chirurg of advocaat kunnen worden - moeten vrouw en man ook als moeder
en vader gelijke kansen hebben ("the sex blind rulings"). Toch houden veel
Amerikaanse rechters nog aan het moedervoorrecht vast en voor Europa geldt dat nog
sterker. In de Verenigde Staten geldt na l980 in de staten ten Westen van de Mississippi
bij voorrang het gezamenlijk gezag en een gelijk recht op de dagelijkse zorg. In de
Oostelijke staten is dat, vooral door het veto van de gouverneurs, nooit van kracht
geworden.
Deze historische uitweiding is van belang in verband met de juridische maatregelen die
Gardner aanbeveelt als remedie tegen het PAS-syndroom en waar wij aan het eind van deze
bespreking aan toe komen. Maar eerst gaat de schrijver nog uitvoerig in op de rol van de
medische deskundigen ('examiners') die in Amerika door elk van beide partijen kunnen
worden opgeroepen om hun standpunt te ondersteunen terwijl de rechter ook nog eens
onafhankelijke deskundigen kan benoemen. De enige goede informatiebron voor de deskundige
is volgens Gardner een gesprek met beide ouders en de kinderen gelijktijdig. Als dat niet
mogelijk is omdat een van de partijen het niet wil, kan er niets bereikt worden en trekt
hij zich als deskundige terug. Alleen uit dat gesprek kan namelijk blijken met welke ouder
de kinderen de sterkste geestelijke binding hebben. En die moet worden vastgesteld aan de
hand van wat Gardner zo mooi "grootmoeders maatstaf" noemt: "dat wat
grootmoeder tekenen van goed ouderschap zou vinden als haar geest door de woning kon
rondwaren en daarna aan de deskundige verslag uitbrengen. De meeste grootmoeders hadden
weliswaar geen doctoraal in de kinderpsychologie en geen benul van de uitgekiende metingen
waar wij beroepsmensen ons tegenwoordig op laten voorstaan, maar zij letten vooral goed op
die ouderhandelingen waar het gevoel uit spreekt en die het vlechtwerk van de ouder-kind
binding uitmaken: wie maakt de kinderen 's morgens wakker, zet ze het ontbijt voor, brengt
ze naar school, zit 's middags met ze aan tafel, helpt ze bij het huiswerk en stopt ze 's
avonds in bed; wie is bereid zich wat voor de kinderen te ontzeggen, offers voor hen te
brengen. Zo kan de deskundige vaststellen welke ouder-kind binding in de kleuterjaren tot
stand is gekomen. Dat is niet alleen van belang in verband met het later gevormde
verstotingssyndroom maar ook om vast te stellen wie van de ouders de dagelijkse zorg moet
krijgen. Het verstotingssyndroom ontwikkelt zich volgens Gardner zodra het kind begint te
beseffen dat er een strijd om gezag en zorg aan het ontbranden is. Om in die strijd een
rol te spelen begint het zijn eigen scenario van geringschatting en uitsluiting op te
stellen.
Kinderen die aan het verstotingssyndroom lijden, idealiseren
de moeder en verwerpen de vader om gebeurtenissen die andere kinderen normaal vinden of al
lang vergeten zijn. Verhalen van de moeder worden kritiekloos overgenomen: "Moeder
zou nooit tegen mij liegen". Normale brieven, telefoontjes en juridische stappen van
de vader worden alle samengevat onder de term "lastig vallen". Het kind wil de
vader "nooit" meer zien. Gardner pleit voor een gerechtelijk bevel tot
psychiatrische behandeling van het gehele gezin. Zonder dat bevel zal het nooit tot een
behandeling komen en individuele therapie leidt nergens toe. "Dit is niet het soort
therapie dat verricht kan worden door een therapeut die er passief bij zit terwijl
patiënten hun fantasieën afdraaien, maar door een die eventueel niet te benauwd is een
dwarsliggende patiënt ermee te dreigen de rechter in te schakelen. Sommige lezers zullen
wel onthutst zijn dat ik in verband met een patiënt het woord dreigen gebruik maar zonder
die mogelijkheid zal therapie van PAS-gezinnen geen resultaat opleveren".
Volgens Gardner vereisen de drie gradaties van het
verstotingssyndroom elk een andere aanpak. In ernstige PAS-gevallen moeten de kinderen
voor alles aan de dagelijkse zorg van de moeder worden onttrokken en bij de vader komen
wonen, in de eerste tijd zelfs zonder enig contact met de moeder: "tussen moeder en
kinderen bestaat een ongezonde binding en die zal ook door therapie niet verdwijnen zolang
de kinderen bij hun moeder wonen en daar zijn blootgesteld aan een spervuur van afkammerij
en andere openlijke en heimelijke beïnvloeding die het syndroom in stand houdt...Als de
kinderen bij de vader geplaatst worden, zal hun vijandelijkheid tegenover hem geleidelijk
afnemen. Als de rechtbank toestaat dat de kinderen bij de gestoorde moeder blijven, dan
komt het waarschijnlijk tot een levenslange vervreemding van de vader".
"Helaas staan rechters er vaak niet voor open om een
vader de zorg te geven. Ondanks de recente voorrang voor een gezamenlijk gezag blijven de
meeste rechters toch sterk bij de opvatting dat moeders betere opvoeders zijn dan vaders.
En hoewel ik het daar in het algemeen ook mee eens ben, lijdt het geen twijfel dat ook
veel moeders slechtere opvoeders zijn dan hun (ex-)man en dat geldt met waarschijnlijkheid
vooral voor de moeders in de groep van de ernstige vaderverstoting." Bij meer
gematigde gevallen van verstoting acht Gardner het mogelijk de kinderen bij de moeder te
laten om van daaruit aan herstel van de omgang met de vader te werken. Als de moeder
blijft tegenwerken dan zou men haar kunnen dreigen met omkering van de zorg of met
gevangenisstraf hoewel - zegt de schrijver erbij - hij wel vaders achter de tralies heeft
zien verdwijnen als zij niet aan hun (financiële) verplichtingen voldeden maar geen
moeders als die niet aan hun (omgangs)verplichtingen voldeden. Overigens moet de therapeut
die met deze situatie aan de slag gaat, vooral een neutrale, door de rechtbank aangewezen,
deskundige zijn. Zijn behandelkamer kan dan tegelijk als het 'uitwisselpunt' dienen waar
de kinderen voor de omgang van de ene naar de andere ouder gaan. Moeilijke moeders in deze
categorie lijden nogal eens aan neiging tot overbescherming. Als zij naar een verre
bestemming willen verhuizen om de kinderen aan de vader te onttrekken, moet de rechtbank
hun verbieden de kinderen mee te nemen. Bij zwakke gevallen van het verstotingssyndroom is
therapie meestal niet eens nodig. Gardner denkt dat veelal alleen maar de moeder
gerustgesteld moet worden dat de vader de dagelijkse zorg niet krijgt en zijzelf dus wel.
Als zij zich maar veilig voelt om te mogen zorgen, zou zij de omgang met de vader niet
meer beletten.
Wat heeft Gardner de uitgestoten vaders aan te raden?
"Sommige vaders verliezen de moed en lijden zoveel verdriet door de verstoting dat
zij er sterk over denken zich maar voorgoed van hun kinderen terug te trekken. Vaak wordt
hun (soms zelfs door goedwillende therapeuten) aangeraden de wens van kinderen die hen
niet meer willen zien, te "eerbiedigen" omdat die kinderen (blz. 259) "toch
uiteindelijk uit zichzelf weer naar hem toe zullen komen. Maar die raad, hoe goed bedoeld
ook, is naar mijn mening niet doordacht: de raadgever was er kennelijk niet mee vertrouwd
hoe het syndroom werkt en hoe de geestelijke band tussen vader en kind in het geniep
verzwakt en zelfs volkomen gesloopt kan worden. Mijn algemene raad aan zulke vaders is om
redelijke contactpogingen te blijven volhouden, ervan uitgaande dat er ondanks
vijandelijkheid van de kinderen nog steeds resten van de vroegere binding doorwerken. Ik
probeer de vaders een middenweg te helpen vinden tussen opdringen en opgeven. Ik raad ze
aan om per post en via kennissen wat van zich te laten horen bij verjaardagen,
diploma-uitreikingen, intrede in de kerkelijke gemeente enz...Ook al worden hun brieven
(voor of na lezing) vernietigd en wordt de telefoon op de haak gegooid, ik raad ze aan te
blijven schrijven. Nogmaals: vooral niet zo vaak dat het als lastig overkomt. Vaders
moeten zich de vroegere band met hun kind blijven herinneren en hopen dat liefde
uiteindelijk angst zal overwinnen. Omdat wij geen vervolgstudies over zulke kinderen
hebben, weet ik niet hoe dikwijls deze raad van nut is geweest. Ik vermoed maar in een
beperkt aantal gevallen, al mag ook dat er een therapeut nooit van weerhouden zo'n raad te
geven. Maar bij deze pessimistische noot wil ik het niet laten. Ik ben in wezen
optimistisch over de mogelijkheid om kinderen met een ernstig verstotingssyndroom in
gezinsverband therapeutisch te behandelen, als de therapeut er de rechtbank tenminste van
kan overtuigen dat het om zo'n syndroom gaat en hij daarna de rechtsmacht als stok achter
de deur kan inzetten."
Gardner geeft dan (blz. 246) een tien bladzijden lang
voorbeeld van de uiterst moeizame therapeutische behandeling van Gloria en Ned en hun
kinderen waarin Gloria de zaak in het begin op alle manieren saboteert en de therapeut
zachtmoedigheden als "stomme idioot, je verpest mijn kinderen" naar het hoofd
slingert. Maar uiteindelijk weet deze met moed en volharding de kinderen toch weer tot
normale omgang met de vader te brengen. Al verzucht hij wel: "Sommige lezers hebben
bij dit behandelingsvoorbeeld vast gedacht dat er binnen of buiten de psychiatrie
waarachtig wel een prettigere manier is om aan de kost te komen. En dat vind ik zelf ook.
Het is weerzinwekkend en af en toe vernederend... Maar voor ernstige verstotingsgevallen
is het de enige behandeling die ik ken. En in alle beroepen moet soms vuil werk gedaan
worden...Door dit te verdragen kan het leven van jonge mensen worden beveiligd, kan
verhinderd worden dat een kind blijvend vervreemdt van een ouder: zijn kostbaarste
bezit." Dat alles is wel afhankelijk van de medewerking van de rechterlijke macht.
"Ik ken geen beter voorbeeld van de waarde van de samenwerking van psychiatrie en
recht dan de behandeling van het verstotingssyndroom". Maar in de praktijk valt dat
niet altijd mee: "Een klacht die ik over veel rechters heb, is de traagheid van de
uitspraken. In veel gevallen komt dat omdat een rechtbank overbelast is of omdat een
advocaat de zaak vertraagt maar ik heb ook te veel zaken meegemaakt waarin de
uitstelmanoeuvres van de rechters zelf kwamen. Veel rechters zijn besluiteloos en vinden
steeds weer redenen om het vonnis voor zich uit te schuiven". Als het grootste
struikelblok ziet Gardner echter delen van de advocatuur: "Advocaten rekken de
procesvoering: sommigen voor hun gewin, anderen omdat zij weten dat de tijd voor hun
cliënte werkt, vooral wanneer zij het is die de kinderen programmeert. De drang om het
met alle macht voor de cliënte op te nemen is groter dan de bereidheid om in te zien dat
dit schadelijk is voor haar kinderen". Het probleem zit dan ook diep: "Die
advocaten die de in dit boek beschreven euveldaden begaan, moeten wel
persoonlijkheidsgebreken vertonen. Het kan niet anders dan dat zij sterk tekort schieten
in hun ontvankelijkheid voor anderen en zich afsluiten voor de geestelijke schade die zij
cliënten - zowel hun eigen als die van andere advocaten - toebrengen...In uiterste
gevallen worden zulk soort mensen psychopaten genoemd....Psychopathische typen kunnen erg
overtuigend en beminnelijk overkomen: zij zijn vaak meesters in misleiding..." en
"Na jarenlang beroepshalve andere partijen misleid te hebben, weten veel advocaten
niet eens meer hoe diep deze gewoonte in henzelf is doorgedrongen. De waarheid verbergen
en weglaten is een deel van hun persoon en hun levensstijl geworden. Velen beseffen niet
dat zij bedorven zijn door het systeem waarin zij de kost verdienen".
Om beter achter de waarheid te komen stelt Gardner voor om de
partijen tijdens de zittingen van het proces met elkaar en elkaars verklaringen te
confronteren. Een andere aanbeveling is om in de rechtenstudie een richting familierecht
op te nemen, met bijzondere aandacht voor toegepaste psychologie. Een goede ontwikkeling
acht Gardner de echtscheidingsbemiddeling. Deze maakt ook in Amerika een bloei door, al
zijn er nog steeds geen algemene normen voor de opleiding. Universiteiten tonen weinig
belangstelling. Kan wetgeving misschien helpen het verstotingssyndroom in te perken of te
voorkomen? Ook daar heeft Gardner een uitgesproken mening over: "Weinig mensen zullen
eraan twijfelen dat mannen in onze samenleving meer macht hebben dan vrouwen. Ook heeft de
vrouw het op weinige uitzonderingen na financieel moeilijker dan de man". "Vaak
heb ik de laatste jaren het gevoel gehad dat wij de vroegere voorrang van de moeder beter
niet overboord hadden kunnen zetten...De nieuwe gelijkheid heeft ouders en kinderen veel
leed berokkend...vooral de gelijke rechten van vader en moeder op de zorg en het
wijdverbreide enthousiasme voor het gedeelde gezag. Het vechten om het gezag is sinds het
midden van de jaren 70 dramatisch toegenomen en dat is zonder enige twijfel het gevolg van
die twee ontwikkelingen". "Naar mijn mening houden de rechtbanken niet genoeg
rekening met de geduchte invloed van de prilste levensjaren en van de binding met de ouder
die toen het meeste voor het kind zorgde...Dat was meestal de moeder...Wanneer die binding
bedreigd wordt door een rechter die vader en moeder precies gelijkstelt of door een
opgelegd gezamenlijk gezag, dan zullen moeder en kind dat met alle kracht bevechten. De
moeder hersenspoelt het kind en daarnaast ontwikkelt het kind, om de binding te handhaven,
zijn eigen scenario".
De schrijver stelt dan voor om terug te komen op de volkomen
gelijkheid van man en vrouw in gezag en zorg, zonder echter terug te keren naar het oude
voorrangsrecht van de moeder. Toewijzing van zorg en gezag zou moeten gebeuren op grond
van drie punten:
1. Voorrang voor die ouder (moeder of vader) met wie het kind
de sterkste gezonde geestelijke band heeft.
2. Die band heeft het waarschijnlijk met de ouder die er in
de eerste levensjaren het meest voor gezorgd heeft.
3. Maar hoe meer tijd er ligt tussen die eerste jaren en het
ogenblik van de gezagstoewijzing, des te groter is de kans dat latere invloeden de
overhand nemen. Daarnaast zou het huidige stelsel van strijdige procedures moeten worden
vervangen door een drie-fasen systeem van:
1. Verplichte bemiddeling. Die is in Amerika het eerst
ingesteld in de staat Californie, waar ouders eerst naar een bemiddelingskamer moeten
voordat zij toestemming tot een rechtsgeding krijgen. Zij geldt ook in veel andere staten
van de V.S. en voor landen als Japan, Noorwegen en Zweden e.a.
2. Arbitrage binnen het kader van de rechtbank door een
troika van b.v. twee psychologen/psychiaters en een advocaat.
3. Een beroepsinstantie, samengesteld als 2. "De
(Amerikaanse) grondwet geeft eenieder het recht zijn geschillen aan een rechtbank voor te
leggen en aan die voorwaarde wordt in dit voorstel voldaan omdat de arbitrage- en de
beroepsinstantie binnen de bevoegdheid van de rechtbank vallen en de advocaten die erin
zitten als rechters dienst doen. Het systeem werkt niet als een strijdige procedure, maar
dat wordt door de grondwet ook niet vereist."
"De toewijzing aan die ouder die in de eerste jaren het meest voor het kind gezorgd
heeft, zal tot gevolg hebben dat veel moeders automatisch zorg en gezag krijgen en dat zou
de twisten om het gezag zoals wij die tegenwoordig in Amerika kennen, sterk
verminderen."
Dit zijn nogal revolutionaire voorstellen, gedragen door
hoogstaande beginselen. Toch is Gardner wel degelijk een realist: de kans dat zijn
voorstellen ooit werkelijkheid worden, schat hij niet te hoog in. "Amerika is nu
eenmaal een land, bezeten van procesvoering". Op Gardners uitgangspunten valt echter
wel wat af te dingen. Hebben mannen werkelijk meer macht en geld dan vrouwen? Gardners
tegenpool Warren Farrell - die aan de Universiteit van Zuid-Californie sociologie doceert
en een al even indrukwekkende serie boeken op zijn naam heeft staan - denkt daar in ieder
geval anders over: "Vrouwen hebben de grootste koopkracht, de grootste macht der
schoonheid, de grootste seksuele macht, het grootste gemiddelde vermogen als gezinshoofd
en de ruimste keuzemogelijkheden inzake huwelijk, kinderen en arbeid" (de bestseller
"The Myth of Male Power", New York, l993). En het al te ver doorgeschoten
gelijkheidsbeginsel en het gezamenlijke gezag? Daar is Gardner zelf onzeker over want hij
spreekt zijn eigen stelling herhaaldelijk tegen: "Ondanks de algemene populariteit
van het gelijkheidsbeginsel, vinden veel rechters nog steeds dat de moeder bij voorrang
voor de kinderen mag zorgen. Zo krijgen ook tekortschietende moeders nog vaak de zorg,
zeer tot schade van de kinderen." En: "Het is voor een rechter onvoorzichtig om
het een vrouw al te moeilijk te maken. En dat heeft, behalve met andere factoren, ook
sterk te maken met politiek".
Nee, het verstotingssyndroom kan niet in hoofdzaak voortkomen uit een afweerslag van
moeders die zich in hun oude zorgvoorrecht bedreigd voelen. Want ook in Europa verbreekt
de helft van de scheidingskinderen binnen een paar jaar het contact met de vader, ook als
die hen goed behandeld had. En in Europa is de voorrang van de moeder op de dagelijkse
zorg eigenlijk nooit betwist, terwijl het gezamenlijk gezag in Nederland nog maar bestaat
sinds l998 (in België sinds l995) en dat dan nog alleen als ook de moeder het wil.
Kenmerkend is voorts dat de afweerhouding van de kinderen tegen de vader juist toeneemt
als deze al een tijd het huis uit is en hun binding met de moeder dus steeds minder
bedreigd wordt. Dat lijkt er wel op te wijzen dat het PAS sterk voortkomt uit een bredere
invloed van de sociale omgeving, waar "niemand zich er veel van aantrekt als de vader
gemeen behandeld wordt".
Het boek draagt als ondertitel 'Gids voor werkers in de
geestelijke gezondheidszorg en juristen' en daarmee is zijn betekenis samengevat.
Ouderverstoting wordt hier voor het eerst behandeld als een probleem van de geestelijke
volksgezondheid en in die richting, met rechtsmacht als stok achter de deur, ligt volgens
de schrijver ook de oplossing. Gardner verstaat ook nog de kunst een gespecialiseerd
onderwerp als dit gemakkelijk toegankelijk te maken. En ook een lange inhoudsweergave als
deze geeft maar nauwelijks een beeld van de hoogstaande opvattingen en de ongewoon grote
gedachtenrijkdom van het boek.
Aan PAS gerelateerde diagnoses